scheepje

 Het pijpesteelde onbarmhartig. De zon had zich al dagenlang niet laten zien. Veel marktkooplui hadden deze dag voor gezien gehouden en waren in hun warme nestjes blijven liggen. De markt zag er dan ook uit als een verlaten honingraat en telde maar weinig dagjesmensen noch weekdieren. Ambtenaar had zich ondanks het slechte weer naar het marktplein begeven en stond nu uit te puffen van het harde hollen onder de luifel van een koopman met ruggegraat.

 Achter de kraam waarop fleurig fruit lag uitgestald, stond een onmiskenbare 65-plusser die   zijn blauwe stofjas in slanker tijden had aangeschaft. Zijn forse hoofd leek de schepping van een ruwe hand. Met zijn lippen omklemde hij een knakje. Om zich enigszins te warmen sloeg hij met regelmaat zijn armen onder zijn oksels. “D’r komt geen einde aan het schip met zure appelen” sprak hij bij wijze van opening en wees naar het grijze wolkendek.

 Het carillon deerde regen noch koude en deed zijn plicht. Het speelde een broeierig refrein van de Lambada. Een onder deze weersomstandigheid weinig toepasselijk lied, waardoor het weer nog droefgeestiger werd dan het al was.

“Kenne ze dat koelereding niet ‘s afzetten?”, vroeg de koopman. Hij hief zijn handen verongelijkt ten hemel. “Ze mosten dat teringherrie-apparaat ‘s goed naar de vernieling helpen. Vandalisme genoeg hier in de buurt zou je zeggen, maar carillonnetje vernielen is er niet bij. Ambtenaar wilde dit gesprek niet aan en haalde daarom alleen zijn schouders op.

 Naast Ambtenaar stond een oud vrouwtje met een plastic regenkapje over haar hoofddoekje en een vaalblauwe regenjas waaronder zich een dubbel c gemoed liet raden. Omdat Ambtenaar geen sjoege gaf, antwoordde zij­ met een muizenstem: “Ach u bent niet wijs. Weet u wel dat het carillon er staat als symbool van onze bevrijdingsstrijd? U heeft toch ook de oorlog meegemaakt zeker? Kijk er nou eens goed naar” en dwong met haar priemende wijsvinger de koopman naar het carillon te kijken. “‘T is een monument, en wist u dat er maar liefst drieëntwintig klokken in hangen en dat de drie grootste klokken de namen dragen van onze vorstenparels: Wilhelmina, Juliana en Bernard?”

“Om je eerlijk de waarheid te zeggen, mevrouwtje” sprak de koopman, zichtbaar blij dat zijn klacht toch nog ergens terecht was gekomen, “het lijkt wel een afgekeurde kerstboom met drieëntwintig klokken teveel. En ook die namen interesseren me geen ene mallemoer. Ik hep er allenig maar last van. En ik niet alleen hoor. Ze klagen d’r hier op de markt allemaal over. Ga ‘t maar zelf navragen. En tot overmaat van ramp komt hier op ze tijd ook nog ‘s een Quasimodo op dat allejezuskreng spelen. Tyfusteringherrie, dat maakt ‘ie dan. Ze hebben al ‘s al ‘s een keertje uit pure kinnesinne het laddertje waarmee die d’r inklimt weggehaald, zodat ‘ie in z’n raket gevangen zat, maar dat kan natuurlijk helemaal niet en dat lost ook niks op, want hij ging uit pure nijd nog afschuwelijker spelen dan ie al dee, net zo lang tot ze zijn laddertje weer hadden teruggezet. Die man moet net as wij ook z’n brood verdienen, dat snap ik heus wel. Alleen, hij  most het thuis doen en niet hiero.”

 “De Loemoemba of zo, dat kan ook niet en zeker nu niet” sprak het vrouwtje “nee, het zou net als in de Westertoren elk kwartier een regel van ,Scheepje onder Jezus’ hoede’ moeten spelen en elk heel uur dat hele lied. Dat zou gepaster zijn. Het is immers ook bijna Kerstmis!”

  “God zal me bewaren, ook dat nog!” riep de koopman uit “Nee hoor. Dat zèker niet! Afschieten naar de maan, dat is het beste voor ons allemaal.”Ambtenaar schoot iets te binnen over de op handen zijnde herinrichting van het Plein, maar hield zijn mond.

 Het vrouwtje had zichzelf op een idee gebracht, want terwijl Ambtenaar zijn halve kilo appeltjes bestelde, keerde het vrouwtje zich naar het carillon en hief devoot het lied aan, maar vals. Eerst voorzichtig bijna onhoorbaar, maar al bij de tweede regel uit vollere borst:

 

                                                   “Scheepje onder Jezus’ hoede

                                                    Met de kruisvlag hoog in top

                                                    Neem als arke der verlossing

                                                       Allen die in nood zijn op”

 Ambtenaar voelde zich onder de luifel als een kanariepiet in een kooitje; hij kon geen kant op. De koopman overhandigde Ambtenaar intussen zijn zakje ooft, boog zich ver naar hem voorover en sprak getergd met zijn hand verticaal voor zijn mond: “Vrouwen…pfff, ze is niet goed hoor”, tekende met zijn wijsvinger een cirkel op zijn voorhoofd en stopte hem daarna in zijn oor. Het vrouwtje zong nu uit volle borst onverstoorbaar verder:

 

                                                   “Al slaat de zee al hol en hoog

                                                    En zweept de storm ons voort

                                               Wij hebben vaders zoon aan boord

                                                             En veilig ………..”

 “Nou, ho maar, wat mag het weze mevrouwtje” interrumpeerde de koopman nu bars, omdat die het Uterusgezang nu zat was “We zitten hier niet in de kerk hoor”.

 Een straaltje water siepelde over Ambtenaars rug. ­Ambtenaar vond dat het tijd werd om het kooitje te verlaten.  “Dan maar zeiknat” dacht hij ferm en vluchtte door de pijpestelen heen terug naar zijn veilige, behaaglijke haven.

Victor Luchtig

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s