opgeleukt

De vergaderruimte was gevuld met zinderende hitte. Voordat de vergadering van deze door het College van Burgemeester en Wethouders ingestelde commissie begon, schudden de leden elkaar zoals gebruikelijk hartelijk de hand. Vriendelijke woorden verruilden daarbij veelvuldig van eigenaar. Tijdens de vergadering zouden, ondanks de tropische warmte, de colberts niet worden uitgetrokken; dat paste immers niet bij de status van deze deftige heren.

 De ingenieur hield zich wat afzijdig. Hij was nieuw in dit gezelschap. Hij was voor deze vergadering uitgenodigd, omdat hij gehouden werd voor een allesweter op het gebied van stedebouw. Toen hij de vergaderruimte binnentrad, zeulde hij een enorme zwarte koker met zich mee waarvan hij de inhoud later aan de commissieleden zou ontvouwen.

 De Ingenieur zou een onopvallende verschijning zijn geweest, ware het niet dat zijn overhemd  een rafelig boordje liet zien dat er bovendien smoezelig uitzag. Omdat hij het had opgeleukt met een klein vlinderstrikje, voorzien van koddig bedoelde beertjes, werd de aandacht vanzelf meer op dat boordje gericht dan de bedoeling was.

 De Ingenieur nam plaats aan de tafel, zo ongeveer recht tegenover Ambtenaar. Toen Ambtenaar zich enigszins oprichtte om naar de suikerpot te reiken die in de buurt van de Ingenieur stond, verhief zich plotsklaps ook de Ingenieur, greep de hand van Ambtenaar en stelde zich ten tweede male voor. “Nee, de suiker ” corrigeerde Ambtenaar, even in verwarring gebracht, en wees naar de suikerpot. De Ingenieur overhandigde nu Ambtenaar het gevraagde en terwijl hij dat deed, bereikte een onaangename lucht Ambtenaars reukorgaan. “Onmiskenbaar een prototype van een vrijgezel”, dacht Ambtenaar nog.

 De voorzitter opende met een gepast hamerslagje de vergadering en heette met name de Ingenieur hartelijk welkom. Hij introduceerde het onderwerp van bespreking en vertelde de aanwezigen dat hij speciaal voor de door hem geschetste problematiek de Ingenieur had uitgenodigd. Er was immers behoefte aan een deskundig advies. Het voorhoofd van de Ingenieur was inmiddels met zweet bepareld.

 Voor het Oudste Lid van het vergadergezelschap was deze inleiding voor dovemansoren. Hij was werkelijk doof en kon alleen geluiden ontvangen met behulp van een gehoorapparaat dat  kennelijk ooit voor een twee maten groter oor was gefabriceerd. Het versterkertje dat zijn gehoororgaan aanstuurde, had hij maar uitgezet. De slaap had hem vrijwel onmiddellijk getroffen. Met zijn te korte armen, gevouwen om zijn corpulente lijf hing hij enigszins schuin achterover in zijn stoel. Aan zijn mond ontsprongen plofgeluidjes van verschillende samenstelling en toonhoogte. Hij had zich blijkbaar voorgenomen om ook vandaag weer niets aan zijn repertoire toe te voegen. Niemand van de aanwezigen stoorde zich er echter aan. Integendeel, uit een gevoel van piëteit kreeg hij van de commissieleden alle ruimte om zich op zijn naderende pensioen voor te bereiden.

 Aan het eind van zijn nu veel te lange monoloog richtte de voorzitter zich tot de Ingenieur en nodigde hem vriendelijk uit om zijn kijk op de geschetste problematiek  niet langer aan de  commissieleden te onthouden. De Ingenieur stond op, frommelde een landkaart uit de zwarte koker en bevestigde die met enkele punaises aan de wand. Uit zijn binnenzak haalde hij een pen te voorschijn en veranderde die, terwijl hij eraan trok, in een aanwijsstok. Daarna  wendde hij zich tot de commissieleden, rochelde een paar keer en begon:

 “Mmmmmmmmmmm……mmmmij………..mijnne………..mijne….he….he…..heren………………….

.Wwwww………….wwwwaaaaaa…..waaaaaat……….een……..ggggg….ggggeeeee….

gggeeenoeoeoe……genoegggen……dat ik vandaa u gas in u midde mag zijn. Ik  zzzz….zzzzaaaa……………….”

Bij de vorming van vrijwel elke letter en na moeizame stapeling van die letters tot iets dat op een woord leek, snakte de Ingenieur ernstig naar grote hoeveelheden zuurstof. Des te opvallender was het dat na een woord of wat de rest van de zin in ijltempo de mond van de Ingenieur verliet, zodat hij als alsnog ternauwernood verstaanbaar was. Het leek daarbij alsof sommige woorden zich razendsnel hadden bedacht en er bij nader inzien de voorkeur aan gaven om in zijn veilige spreekpijp te blijven. De Ingenieur geleek een spartelende vis op het droge. Het zweet siepelde nu in zijn boordje.

 Het werd de commissie te veel. Een klaagzang van keelschrapen en ingehouden hoesten vulde allengs de veel te warme ruimte.

 Het Oudste lid tilde nietsvermoedend een ooglid op, keek om zich heen en nam waar dat de commissieleden overal naar keken, behalve naar de Ingenieur. Onmiddellijk rechtte hij zijn rug en opende beide ogen, omdat hij dacht dat er een reactie van hem werd verwacht. Hij gaf daarom enkele ferme klappen op zijn borst alwaar zich het versterkertje van zijn gehoorapparaat bevond en sprak  ”Eh…………eh………voorzitter, ik meen dat ik het met de spreker volledig eens ben”.

Victor Luchtig

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s