noblesse

‘s Maandags stiet Ambtenaar de deur open van een kamer op de eerste verdieping van het

Amsterdamse stadhuis. Ambtenaar was nog niet zo lang in dienst en was er door zijn superieur  op uitgestuurd om alhier enige informatie te verzamelen. Voordat hij vertrok, vertelde zijn principaal dat zich op het stadhuis nog een opvallend archaïsch verschijnsel voordeed. In sommige hoeken en gaten van dit gebouw werkten namelijk nog enige heuse aristocraten. Voor het geld hoefden zij het uiteraard niet te doen, integendeel, zij beschouwden hun werk als nuttig tijdverdrijf, maar vooral als een gebaar om de mensheid een dienst te bewijzen. Het ging nog slechts om enkele freules, jonkheren en baronnen, herkenbaar aan de dubbele namen die als bewijs van hun vorstelijk bestaan aan hun deuren prijkten. Ambtenaar stond op het punt om voor het eerst van zijn leven een van deze edelmannen te ontmoeten. Op deze deur stond geschreven: baron H.M. Van Rijpma toe Scheltinga.

 Achter een immens bureau zat een gedrongen gestalte in een grijs pak dat onmogelijk nog de corpulentie van de adellijke inhoud kon verdoezelen. Het wierp een ernstige smet op het adeldom. De baron had een zuinig mondje en droeg een hoornen bril waarachter Ambtenaar lege oogkassen waarnam. Aan zijn oor hield hij de hoorn van de telefoon. Hij luisterde een moment, maakte daarna wilde armgebaren en sloeg een aantal keren driftig met zijn vlakke hand op het bureau. Hij bracht dan de hoorn verticaal voor zijn hoofd, boog zich enigszins voorover en schreeuwde er dan zo hard doorheen als ware het een megafoon. Dit schouwspel herhaalde zich keer op keer.

 Hij keek Ambtenaar slechts een ogenblik aan en gebaarde dat hij voor zijn bureau plaats diende te nemen. Daarna sloeg de baron geen acht meer op Ambtenaar.

 Achter de man van adel hing aan de muur een abstract schilderij van iemand die iets had willen uitdrukken op een dag toen hij weinig uit te drukken had. Ambtenaar begreep ook niets van de conversatie die zich tussen de baron en degene aan de andere kant van de lijn afspeelde, maar dat de baron zijn verkalkt gezag liet gelden, stond als een paal boven water.

 Op het bureau van de baron stonden wel vijftien koffiebekerhoudertjes in alle mogelijke kleuren. In die tijd werden die houdertjes gebruikt om de koffie uit de automaat te halen. Het vermoeide gebouw was dermate ontoegankelijk voor koffiekarren gebleken dat was besloten om hier en daar in de gangen koffieautomaten te plaatsen. Het koffiebekerhoudertje gold daarbij als een onontbeerlijk werktuigje, omdat dat ervoor kon zorgen dat de koffie veilig op de werkplek arriveerde, maar bovendien dat de koffie zonder de handen te branden kon worden opgedronken. Een ambtenaar zonder koffiebekerhoudertje gold in die tijd als een keizer te voet.

 De baron was nu in alle staten. Hij nam nu telkens met zijn linkerhand een koffiebekerhoudertje op, liet dat over zijn wijsvinger glijden en vervolgens woest om zijn vinger draaien. Ambtenaar vreesde dat dit koffiebekerhoudertje als een ongeleid projectiel naar zijn hoofd zou slingeren en besloot vanaf dat moment alert te zijn.

 

Omdat aan dit schouwspel geen einde leek te komen, dacht Ambtenaar dat het maar beter en veiliger was om te gaan. Hij maakte dan ook aanstalten door voorover te buigen, met twee handen op het bureau van de baron te leunen en zijn achterste omhoog te brengen. Deze bewegingen ontgingen de baron niet. Hij leek zich plots te beseffen dat er iemand voor zijn bureau zat en nadat hij nog een keer in de hoorn had geschreeuwd, smakte hij die op het toestel. Hij stond vervolgens op, pakte enige koffiebekerhoudertjes en smeet die brullend over het hoofd van Ambtenaar tegen een ijzeren kast aan, hetgeen een oorverdovend lawaai veroorzaakte. Gelukkig had Ambtenaar in zijn gebogen houding net de weg van de koffiebekerhoudertjes richting de kast reeds vrijgemaakt, zodat ze in een vrije baan rakelings over zijn hoofd konden scheren. Nadat alle koffiebekerhoudertjes de kast hadden getroffen, boog de baron zich naar Ambtenaar en sprak allervriendelijkst, maar vooral op zeer beschaafde toon “Wel jongeheer, zeg ‘t ‘s, waarmee kan ik je van dienst zijn?”. Noblesse oblige.

Victor Luchtig

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s