nat

Ambtenaar moest nodig een klaarkomen, klaarkomen met al zijn werkzaamheden. Dan kon-ie namelijk met een gerust haart de feestdagen tegemoet. De gedachte aan al die feestelijkheden gaven hem een licht opgewonden gevoel: de goede vrijdag, de Koninginnedag, het amateurfestival, de 1 en 5 mei-viering, de eerste en de tweede pinksterdag, de eerste en de tweede paasdag, en o ja dan later ook nog het traditionele feest van Goedheiligman, maar dat was gelukkig van veel later zorg. Hoe dan ook, ze kwamen er allemaal in hoog tempo aan. Hij kreeg het nu druk, zowel overdag als ‘s avonds, maar vooral ‘s avonds, want Ambtenaar had aan de schaduwkant van zijn bestaan een vrolijke, muzikale noot gevoegd, waardoor hij hoopte langer in leven te zullen blijven. En of hij nou wilde of niet, zijn ijzeren plichtsbetrachting dwong hem niet anders dan voor de feestdagen met een opgeruimd bureau het Stadskantoordeelhuis te verlaten. Dus moest zijn werktemp een tandje hoger.

 In zijn vrije tijd was Ambtenaar aktief lid van het Slotermeers mandoline-orkest ‘Da Capo’. En bij alle festiviteiten was het orkest vanzelfsprekend van de partij. De dirigent had onmiddellijk vastgesteld dat Ambtenaar niet over een al te grote muzikale gave beschikte en hem dat dan ook fijntjes te verstaan gegeven. Eerst vond Ambtenaar dat wel erg vervelend, maar toen de dirigent hem vervolgens beleefd maar indringend aanbood om voortaan het fiere verenigingsvaandel te dragen  -voorzien van de beeltenis van het inmiddels geheel gerestaureerde Kareljon- schikte hij zich -en later zelfs met een zekere trots- in zijn lot. Hij volbracht zijn taak telkens zwoegend, maar met volle overgave, want het vaandel was groot en zwaar. Een mandolinaar had hem eens tussen de bedrijven door lacherig toegeworpen: “Goed gereedschap hangt onder een afdakje”, maar dat had Ambtenaar toch nooit goed in verband kunnen brengen met zijn vaandeltaak, of het moest zijn dat hij het vaandel tijdens de vele lange marsen zo vervaarlijk dicht bij zijn kruis torste. Elke oefenavond zat hij trouw temidden van de orkestleden en tijdens het spelen zoog hij ritmisch op een jujube en bewoog hij het vaandel precies op de maat van de muziek recht op en neer, nooit te wild natuurlijk want daar had de dirigent nou eenmaal een viervoudige hekel aan. De dirigent had het orkest onlangs plechtig gemeld dat er met het vooruitzicht van een groot Joop van de Ende-theater in Slotermeer nog harder moest worden geoefend, vooral op het Wilhelmus, want dat zou stellig van pas komen. Het Wilhelmus vond Ambtenaar allerminst gemakkelijk, omdat de -maar liefst- zesentwintig coupletten hem niet in zijn kouwe kleren gingen zitten. Elk Wilhelmus ervoer hij als een te lange zit. Na de zoveelste oefening bespeurde hij zelfs een lichte weerzin. Daarom neuriede Ambtenaar voortaan als stil protest bij de eerste regel van elk couplet: “Wilhelmus, nat van ‘t sjouwen….”. De voor hem blinde vlekken in de enorme lap tekst die volgde, vulde hij dan met nadenken over de oplossing van de door het weekblad “Carillon”, in het licht van de komende feestdagen, uitgeschreven prijsvraag, te weten: “Wie werd er geboren in 1945?”. De goede inzendingen zouden met prachtvolle prijzen beloond. Zo stelde “Het Carillon”beschikbaar, speciaal voor de komende vakantieperiode, vijftien eerste kwaliteit luchtbedvullingen en tien strippenkaarten voor het gebruik van vrijwel alle roltrappen van de Nederlandse Bijenkorffilialen. Omdat Ambtenaar telkens door de eerste regel van elk couplet hinderlijk werd afgeleid, schoot hem echter geen enkele oplossing te binnen.

Victor Luchtig

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s