hopen

Ambtenaar neemt plaats aan een keurig gedekte tafel waaraan al een man en twee vrouwen hebben plaatsgenomen. De soeppan staat dampend in het midden van de tafel.

De vrouw kijkt Ambtenaar bedenkelijk aan en zegt, zonder dat daar enige aanleiding toe is: ,,Die paar jaar dat we nog leven”. Ze verwacht blijkbaar geen reactie want ze draait zich in de richting van de man naast haar. Die zwaait vervaarlijk met de opscheplepel boven de pan en maakt duidelijk dat hij de soep wil uitdelen. Kennelijk gaat het spreken hem slecht af, want hij doet verwoede pogingen. Maar behalve ‘ver..ve..lend’ kan Ambtenaar niets verstaanbaars ontdekken. De vrouw maakt een gebaar waarmee ze wil zeggen dat hij de soep mag opscheppen. ,,Ja, doe maar Joop”, zegt ze vervolgens. De man kijkt haar begrijpend aan en lijkt niet doof, maar helemaal zeker is Ambtenaar daar toch niet van.

,,Dit is soep met een paardepoot, hoor”, zegt de vrouw en kijkt Ambtenaar van het ene op het andere ogenblik met een frivole blik in de ogen aan. Dan zwijgt ze weer voor even. Dit wordt een conversatie van hollen of stilstaan denkt Ambtenaar. En zo gebeurt het, want even later zegt ze: ,,Hij mag alles eten van de dokter en dat doet-ie ook, hè?” Ze hebben iets met elkaar denkt Ambtenaar. Dan brengt de vrouw haar neus tot even boven de soep en roept: ,,Waar is mijn fiets?” en maakt een hulpeloos gebaar. ,,Ja hoor, de gehaktballen moeten we vandaag weer fietsen, ‘t zal weer ’s niet”. Ze kijkt Ambtenaar aan, slaakt een diepe zucht en vervolgt: ,,Maar die paar jaar die we nog leven, moet je doen wat je nog kàn doen. Ik kan niet lopen, dat niet, maar verder ben ik wel gezond en dat is al heel wat op je tachtigste jaar”. De man maakt nu benauwde pruttelgeluiden en maakt heftige ronddraaiende bewegingen met zijn wijsvinger in de lucht. ,,Ach ja’, zegt ze, hij heb gelijk, één…éénentachtig, wat dom nou van me”.

,,Woont u hier met z’n tweeën?” vraagt Ambtenaar, om maar iets van een structuur in het gesprek te brengen. ,,Jawel hoor, antwoordt de vrouw, we zijn al negenenvijftig jaar getrouwd geweest”. ,,Uw man kan niet goed praten”, zegt Ambtenaar. ,,Ja, maar dat is niet altijd  zo geweest. Hij was  een man van weinig woorden, antwoordt de vrouw. ,,Maar nu kan hij helemaal niet veel meer praten, ziet u. Het kan niet meer zijn zoals je gewend bent”, zucht ze. ,,Het kan gewoon niet meer. Het is het noodlot”. ,,Hoe praat u dan met mekaar?”, vraagt Ambtenaar. Dan rochelt de man weer ‘Ver..ve…lend’. ,,Ja, zegt de vrouw, da’s nou zo’n beetje het enige dat-ie nog kan zeggen… vervelend. Maar we verstaan elkaar hoor. Je heb eigenlijk geen woorden meer nodig op de lange duur”.

 Ambtenaar wendt zich nu tot de keurig geklede bejaarde dame naast hem. Ze heeft een wit katoenen zakdoekje in haar hand en een weemoedige blik in haar ogen. Zodra Ambtenaar oogcontact met haar heeft, steekt ze zonder op een vraag te wachten van wal. ‘Nu is het mijn beurt’ lijkt ze te denken. ,,Me zoon zegt al tegen me, je bent verbitterd geworden, zei hij. En dat is niet goed natuurlijk”. ,,Heeft u het dan niet naar uw zin hier en zijn er dan geen leuke mensen?, vraagt Ambtenaar. ,,Hoe weet u dat?” antwoordt ze niet geheel volgens de geldende wetten van de logica en kijkt met een afkeurende blik naar het echtpaar. ,,Nou, u kunt dan toch gewoon contact met andere mensen maken?” zegt Ambtenaar scherp sturend om het gesprek niet in de berm te doen belanden. Ze zwijgt voor een moment en zegt dan: ,,Ja, maar ‘t is moeilijk,  je kunt toch niet ineens naar die of die gaan? Ik heb al zo’n problemen met lopen. Ja, en van het een komt het ander”. ,,En die mevrouw dan naast u?” vraagt Ambtenaar. Ze maakt van haar hand een toeter, buigt haar hoofd naar Ambtenaar en zegt voor haar gevoel op een fluistertoon, maar die wel drie tafeltjes verderop te horen is: ,,Die vrouw is nog nooit getrouwd geweest! En ik heb er al drie verloren, moet u weten”, voegt ze daar met een geheimzinnige glimlach  aan toe. Ambtenaar vermoedt dat bij deze laatste mededeling een lang verhaal hoort, maar besluit dat niet af te wachten en zegt dan: ,,dus met haar kunt u daar niet over praten, hè”. ,,Neeeee”, zegt ze. En om het gesprek een luchtige wending te geven zegt Ambtenaar: ,,Dan maar hopen dat er dan iemand anders naast u komt zitten”.

Ze denkt heel even na en zegt dan: ,,Ik hoop niks meer. As me zoon dat tegen me zegt dan zeg ik, hopen, hopen? dat doenne de koeien.”

Victor Luchtig

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s