francais

Al heel vroeg op deze warme landerige septemberochtend had een collega zijn hoofd om de hoek van zijn kamer gestoken en hem gevraagd of hij de Engelse taal voldoende machtig was. ‘Waarom dat zo?’ had Ambtenaar hem snedig geriposteerd. Het antwoord daarop was eenvoudig. De gemeente Amsterdam had deze week vele hoogwaardigheidsbekleders uit geheel Afrika uitgenodigd om kennis te maken met de stad Amsterdam. En omdat het gezelschap voor een groot deel uit zogenoemde sportbobo’s bestond, was het vriendelijk uitgenodigd om ook een aantal belangwekkende sportcomplexen te bezoeken, zoals de sporthallen Zuid, het Olympisch Stadion en het De Mirandabad. Deze accommodaties werden immers -toentertijd in elk geval nog wel- als juweeltjes van Amsterdamse architectuur beschouwd. Ze zouden met bussen langs het Amsterdams schoon worden gereden. Elke bus moest worden voorzien van een gids en dan natuurlijk bij voorkeur iemand die verstand had van sportaccommodaties. Vandaar de uitnodiging. ‘Maar dan moest hij het een en ander ook in de engelse taal kunnen uitleggen’ had zijn collega hem verduidelijkt.

Ambtenaar antwoordde toegeeflijk, maar een tikkeltje overmoedig dat Engels voor hem geen enkel probleem vormde en voegde daaraan met enige understatement aan toe dat het hem best wel leuk leek. In het diepst van zijn hart voelde hij zich heel erg gevleid.

Die ochtend kwam Ambtenaar bij het stadhuis aan. Daar trof hij maar liefst zes goedgeveerde bussen aan. ‘Bus twee heb je’ riep zijn collega hem toe.

Even later dromde het zwarte continent door de poort van het stadhuis in de richting van de bussen. Bus twee vulde zich met de vrolijk gemutste Afrikaanders in de meest prachtbonte kledij waarop bordjes waren geprikt met onuitsprekelijke namen. Ambtenaar knikte hen een vriendelijke goedemorgen toe.

Ambtenaar nam plaats naast de chauffeur. De deuren werden gesloten. De stoet en daarmee ook zijn bus zette zich in beweging. Ambtenaar besloot dat nu het moment aangebroken was om de taak te vervullen waarvoor hij was ingehuurd en pakte kordaat de microfoon. Hij draaide zich om naar de gasten, blies bij wijze van test enkele keren door de microfoon en sprak zo opgeruimd mogelijk: ‘Good morning ladies and gentlemen. On behalf of the gouvernement of the city of Amsterdam I may welcome you in this bus which is……………..’ Door de bus ging een golf van verontwaardiging. De Afrikaantjes hieven zich van hun stoel, waarbij sommigen zelfs het gangpad kozen om duidelijk te maken dat er iets niet in orde was. Het werd Ambtenaar al snel duidelijk: ze begrepen niets van wat hij zei. ‘En français, en français’ riepen zij massaal in koor.

Het zweet brak Ambtenaar aan alle kanten uit. Engels! Engels! daar was hij voor gevraagd, maar Frans?….. Frans?

Ambtenaar zat klem tussen vier rollende busmuren met aan de ene kant een Afrikaans legertje en aan de andere kant een chauffeur die zeer waarschijnlijk bij zichzelf dacht ‘Blij dat ik rij en niet in jouw schoenen sta’. Ambtenaar voelde zich alleen en nu genoodzaakt om zijn beste schoolfrans van stal te halen. Dat had geen probleem hoeven zijn. Immers, al vanaf de vijfde klas van de lagere school was de franse taal een verplicht vak. Daarna had hij nog eens vijf jaar Frans genoten op de middelbare school en voor al die moeite  -de goden zij nog gedankt- een mager zesje op zijn eindlijst behaald. Bij elkaar dus zeven jaar Frans en nu stond hij toch nog met zijn mond vol tanden. Compleet aangeklede franse zinnen als ‘Marie a une poupée. La  poupée est sage en papa fume une pipe’ schoten hem ijlings te binnen, maar hij was zich er onmiddellijk van bewust dat hij daar niet ver mee zou komen in deze verhitte bus.

Ambtenaar maakte een gebaar waaruit geruststelling diende te spreken. Zo van het zal allemaal wel goed komen, maar tegelijkertijd kromp hij geestelijk ineen.

Na enige tijd vermande Ambtenaar zich en sprak langzaam, maar zeker, omdat hij zeker wist dat dat in elk geval geen kwaad kon: ‘Bonjour, mesdames et messieurs’. Ambtenaar merkte dat deze mededeling het doel haarscherp trof. Geen van de Afrikaanders pruttelde nog. Iedereen had zijn plaats weer ingenomen. Tot zover ging het dus goed. De Afrikaanders wachtten nu in spanning wat verder zou komen. Ambtenaar dacht ‘nu mijn naam nog en dan waar ik werk’. ‘S’appeler’ is heten, wist Ambtenaar zich gelukkig nog te herinneren, maar het stadhuis, het stadhuis, het stadhuis! hoe heette dat nou ook alweer. Ambtenaar graaide wanhopig in zijn zakken in de hoop daar een frans woordenboek aan te treffen. Uiteraard tevergeefs. Plotseling schoot hem de vertaling te binnen. De ingrediënten voor zijn tweede franse zin waren nu compleet. Ambtenaar rechtte zijn rug, nam een hap warme lucht en toeterde door de microfoon: ‘ je m’ apelle Ambtenaar et je travaille à l’hôpital de ville’. Sommige Afrikaanders probeerden zich ervan te overtuigen dat zij niet in een ambulance hadden plaatsgenomen, maar dat ontging Ambtenaar echter volledig. Die was alweer bezig om de fundamenten voor zijn volgende zin bijeen te schrapen.  Ziekenbroeder of ambtenaar, wat maakt het uit.

Victor Luchtig

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s